Pschorr met glitter, jazz en vuur

Pschorr 1931
door Hans Zirkzee
Pschorr deel 2
Van een feeërieke dansvloer tot de grootste jazzorkesten: het verhaal van Pschorr, Theo Moens en een verwoestend bombardement.
Reese en zijn rechterhand Theo Moens gaan tijdens de rustige zomerperiode op zoek naar artiesten, orkesten en de nieuwste snufjes. In het Casino de Paris zagen zij een glazen verlichte dansvloer, spiegelglad en warm. De verlichting bestond uit verschillende kleuren. Hoe de vloer in elkaar zat, was niet te zien. Om daarachter te komen opperde Theo Moens te solliciteren als chasseur of piccolo. Hij werd aangenomen. Dankzij een fooi aan de chef elektricien had hij al na een dag het geheim van de glazen vloer ontsluierd. Door de opgedane kennis en een tekening van het rasterwerk, waar de vloer op zweefde, kon de heer Vermaas binnen twaalf dagen de fameuze glazen vloer van Pschorr construeren. Met een groot nachtfeest werd de dansvloer op 31 juli 1926 in gebruik genomen. Voor de muziek zorgde The Nine University of South Carolina Gamecock Orchestra. De kranten schreven:
‘Overweldigend is het succes van de verlichten glazen dansvloer. Pschorr is sinds gisteravond de modernste dancing van Nederland. Sinds de opening, nu alweer drie jaar geleden, was het een der modernste. Nu staat het aan de spits. Als de lichten gedoofd worden en in het schemerig donker het vloerkleed open bloeit, de paren zich bewegen over het wisselende tintenspel, in den zachten sprookjesdauw, dan leeft er de dancing in de volle glorie van deze feeërieke vinding.’
DE KOEPEL IN GLAS
In februari 1983 vertelde de dochter van architect P.J. Vermaas aan Hans Langeweg, dat als er iets te bouwen viel Dirk Reese Vermaas inschakelde. De wiskundig aangelegde Vermaas had nieuwe denkbeelden over staal- en betonbouw. Hij maakte het plan voor Pschorr aan de Coolsingel. Hij construeerde de 400 m2 grote glazen koepel op een zodanige wijze dat er geen paal aan te pas kwam om deze te dragen. De koepel in glas en lood werd uitgevoerd door het atelier van mejuffrouw Van Geldermalsen. De ongeziene kleurenpracht raakte ondergesneeuwd door de spectaculaire glazen vloer. Hetgeen Vermaas deed verzuchten dat er in Pschorr te veel naar de grond en te weinig naar boven werd gekeken.

Dancing Pschorr glazen vloer
PARFUMTREINTJE
Pschorr werd het domein van het betere en kapitaalkrachtige publiek, dat uit heel Nederland kwam dansen op de nieuwste (jazz)muziek. De Hofpleinlijn met bezoekers uit Den Haag werd door de Rotterdammers het parfumtreintje genoemd. De provincialen zetten op dinsdagmiddag, na de veemarkt, de bloemetjes buiten in Pschorr. Sommige vrouwen trachtten wat bij te verdienen op ´de liefdes-beurs´. Als zij zich te opzichtig manifesteerden kregen zij van Theo Moens een kaartje in hun hand gedrukt waarop stond: ‘U wordt verzocht deze inrichting niet meer te bezoeken, de directie.’ Regelmatig werd hij door die dames in zijn gezicht gespuwd. Reese en Moens lieten geen gelegenheid onbenut om de sluitingstijd te kunnen verruimen. Jubilea, feestavonden, dansconcoursen, modeshows, carnaval, kerst, Oud en Nieuw, de verjaardagen van het koninklijk huis, alles werd aangegrepen om tot diep in de nacht in het danspaleis te feesten. De speciale gala-avonden van Pschorr waren een begrip. Het programma en het interieur van Pschorr werden aangepast aan een thema, dat vaak geografisch van aard was: Russische gala-avond, Parijs, Japan, Carnaval de Nice, Venetië, Indische avond, Hawaiian nachtfeest, Perzisch nachtfeest, Monte Carlo, Mont Martre, Alpentooi, Honolulu, Spaans nachtfeest, Beieren, Argentijnsche avond, nachtfeest in Abessynië en New York. De gemeente stond het Dirk Reese toe eens per maand zo’n avond, en dus met nachtvergunning, te organiseren. De ideeën en de energie van Theo Moens leken onuitputtelijk. Hoe het er op zo’n gala-avond aan toe ging beschreef het Rotterdamsch Nieuwsblad van 6 februari 1925 op een poëtische wijze:
‘Limousines ruischen dimmend voor gracieuze hulpvaardigheid, elegante gebaren, naar binnen wijkende kroonglas deuren, dienende zorgelijkheid van portiers en vestiaires. In Pschorr-Dancing zelf: toiletten van zijde, velours en chiffon; heeren in zwart en wit; roomblanke armen, warmen blikken. Een tuin van palmen en varens. Drie koepels: één van gebrand glas-in-lood, gespannen in transparante pracht, één van muziek: Jazz-of Seleka-band en één van geuren: minthe, Piver, Veuve, Cliquot… Een tokkel, een rommel, een roffel… King Jazz ontwaakt, zwart van pigment, breed van grijns… De ‘blue’ breekt los, met banjogroep en bekkenslag. In den wintertuin kloppen verlangende harten op: lome armen schikken een plooi; nijgingen achter en naast tafeltjes… en van alle kanten glijden de paren aan. Zij verliezen zich in het rhythme, dat de jazz-band heeft uitgezonnen en nu gaat ontzinnen: er schateren schorre trompetschreeuwen op; de piano valt hen bij met het driemaal gestreepte octaaf; een saxofoon vermaant, doch een schuiftrompet schettert naar extaze uit; slaginstrumenten springen bij: er gilt een sirene: een roffel staat op uit een pauk, wankelt, struikelt en valt dronken terug; de sirene gilt opnieuw hooger, angstiger: de roffel komt met een ruk weer overeind, klimt naar den hoogsten koepel, weerklinkt er en laat zich door de plotseling ingetreden duisternis op de bevende dansparen vallen. Nieuw gehuil van cyclonen; een zware donder, het weer-licht, het flikker-licht; blauwe vlammen flakkeren: Sint Elms vuur. Striemt er regen door den rooden gloed, dien de bliksem splijt? – ‘L’An Mil’? – Een saxofoon-kreet valt achterover en blijft kreunend liggen; de banjo’s trachten het te overstemmen, maar de saxofoon-kreet is te scherpend. De pianist schopt hem tusschen de palmen, waar hij wegsnikt. Een laatste gekraak… en de stilte is verbijsterend, terwijl de duisternis optrekt en roze morgenlicht daagt. – Bis, bis! Wéér die stormnacht wil men. En hetzelfde herhaalt zich. Dan, als het voorbij is, valt de Selenka band in met een violen-ode aan Aurora en bij een zoeten wals verwerkt men de herinnering aan iets pythecantropisch… Lichten wisselen. Een regenboog wentelt zich om en om. Champagne schuimt in klinkend kristal, terwijl tallooze oogen fluoresceeren en op den dansspiegel een bojaar zijn tsarina ten dans noodt… Zoo voltrok zich gisteren de bijzondere gala-avond in ‘Pschorr’- Dancing, dat door de firma Hartlieb was omgetooverd in een sprookjesachtigen wintertuin.’
Theo Moens
MINISTER VAN VERMAKELIJKHEDEN
Theo Moens werd ook wel de Rotterdamse minister van vermakelijkheden genoemd. Bij de viering van zijn 12½ jarig jubileum als ceremoniemeester van Dancing Pschorr in 1936 vertelde Theo Moens (Gent, 7 januari 1894 – Rotterdam, 2 februari 1971) dat hij als jochie van zeven jaar in het circus van Gent zijn loopbaan als artiest begon. In de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog trad hij op voor de Belgische militairen bij Les Chansonniers de L’ armée. Met een schotwond in de arm belandde Moens in een Parijs hospitaal. Na zijn herstel stond hij In de Lichtstad op de planken met de beroemde actrice Sarah Bernardt. Met zijn zuster Mimi als begeleidster vervulde de zanger een engagement in Groot-Brittannië. De oorspronkelijk achtendertig wekende durende tournee werd vanwege de aanslagen van Sinn Fein in Dublin ingekort tot 26 weken. Op de terugweg via Rotterdam debuteerde hij op 16 oktober 1919 in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Zijn optreden was geen succes. Toch viel hij in de smaak bij de impresario Max van Gelder, die hem goed genoeg vond voor een engagement van drie maanden in het Centraal Theater in Amsterdam. Vervolgens stond hij geboekt in het openingsprogramma van de Central Diele, de bovenzaal van het Central Pavillon in Scheveningen (15 juni 1922). Door zijn werk in het eveneens in Scheveningen gelegen Cabaret Palais de Danse kreeg hij, gecoacht door impresario Van Gelder, steeds meer voeling met het Nederlandse publiek. Dagblad Het Vaderland schreef op 2 augustus 1923:
‘Gebleven is ook Theo Moens, die weer gastheerlijk de menschen naar binnen loodst, het sein geeft tot applaus, en steeds maar prijst: quel orchestre! quels danseurs! Hij zingt ook zeer luid eenige Fransche liedjes.’
‘CHANTEUR’
In februari 1924 trad Theo Moens op in Pschorr aan de Korte Hoogstraat als ‘de sympathieke internationale chanteur’. Met conferences, Vlaamse en Franse liedjes en imitaties van Maurice Chevalier hield hij zijn publiek in de greep. Dirk Reese zag in hem de ideale en veelzijdige artiest, die zijn nieuwe Dancing Pschorr op de Coolsingel artistieke allure moest gaan geven. Niet alleen als conferencier en chansonnier, maar ook als ceremoniemeester en (concert) organisator. Moens engageerde de meeste en nieuwste attracties. Soms zeer kostbare, maar Reese had al het vertrouwen in Theo Moens. De ´Rotterdamse minister van vermakelijkheden’ verzorgde ook meer dan duizend liefdadigheidsvoorstellingen. Hij overleed aan de gevolgen van een hartinfarct op 2 februari 1971.
Pschorr sluiting 1931
GROTE NAMEN
In februari 1931 sloot Reese het Concertgebouw Pschorr en startte daar in december 1937 de moderne lunchroom Heck’s Popularis. De Heck’s zaken, waarvan Reese medeoprichter was, boden dagelijks levende muziek. Reese bezat inmiddels rond twintig goedlopende dranklokalen, waardoor hij voldoende financiële armslag had om Boulevard Hotel Atlanta te laten bouwen. Op 2 april 1931 opende het hotel aan de Coolsingel. Ook daar speelden de gerenommeerde dansorkesten. Door de internationale contacten van Theo Moens en Dirk Reese kon Dancing Pschorr de grote jazz- en amusementsorkesten uit het binnen- en buitenland engageren: Jack Hylton (met gastsolist Coleman Hawkins), Willy Lewis, Bobby Martin, Freddy Johnson, Louis Armstrong, Joe Appleton, Roy Fox, The Mills Brothers, Bert Ambrose (met zangeres Vera Lynn), Nat Gonella en van eigen bodem: The Internationals van de gebroeders De Vries, The Ramblers, Louis Bannet en The Chocolade Kiddies. Ook in het café van Pschorr traden de bekendste Nederlandse artiesten op.

The Ramblers met Coleman Hawkins. Zittend zangeres Annie de Reuver (januari 1935)
DE LUCHT IN
De crisis van de jaren dertig leek geen vat te krijgen op het Rotterdamse uitgaansleven. De nazi’s deden dat wel. Op 2 mei 1940 had Reese nog een nieuwe attractie geopend: een Italiaanse tuin ‘Gondola’ tussen Pschorr en de Doelen. Door de pers een biertuin genoemd. De trompettist Baby Prins stond op 14 mei, kort voor het bombardement, te oefenen in Pschorr. Hij werd weggestuurd door de verbijsterde Theo Moens, die in opdracht van Reese onder begeleiding van twee agenten voedsel kwam halen voor de soldaten. De militairen lagen in de loopgraven voor het stadhuis. Pschorr was sinds het uitbreken van de oorlog voor het publiek gesloten. De soldaten hadden de ruiten eruit gehaald om over de breedte van de Coolsingel te kunnen schieten. Theo Moens keek Baby Prins na toen die de Coolsingel overstak naar zijn kamer boven de schoenenzaak Americain. Met de agenten verliet Theo de dancing en installeerde zich in het prachtige tuintje Gondola. De eerste bommen vielen om 13:28 op de Coolsingel. Theo Moens zag het bombardement in hevigheid toenemen. De bommen vielen op Caland, op de Passage, op Old Dutch, op Atlanta, op de Schouwburg, op de Corso Bioscoop, op de Sandeman Bodega, op Lumière, op Tivoli, op de Cineac, op de Doelen. Het benzinedepot van de links naast Pschorr gelegen garage Van Zetten kreeg een voltreffer en Pschorr vloog mee de lucht in. Een gruwelijk einde van de meest legendarische dancing van Rotterdam.

Hans Zirkzee
Hans Zirkzee
‘mister’ jazz in Rotterdam,
muziekdocent,
saxofonist,
concertorganisator,
schrijver, jazz-historicus,
auteur van Jazz in Rotterdam
(de geschiedenis van een grotestadscultuur),
winnaar Dutilh-Prijs 2016
OVER R†JAM
Stichting Rotterdam Jazz Artists Memorial



